Voor deze spelregels beperken we ons tot de biljartvorm 'libre', waar dus
op alle plaatsen caramboles mogen worden gemaakt, behalve in de verboden zones
in de hoeken van het biljart. In die zones mogen maar twee caramboles worden
gemaakt, zoals eerder is uitgelegd.
1. Begin van een partij:
Volgens de spelregels moet men voor de afstoot 'trekken' om te bepalen wie
de aanvangsstoot moet doen. Dit heeft echter niets te maken met de trekstoot.
De twee witte ballen worden op de hoogte van de benedenacquits (of op de 'afstootlijn')
gelegd.
Beide spelers stoten nagenoeg gelijk, ieder met een witte bal, naar de korte
bovenband. De speler van wie de bal het dichtst bij de korte benedenband terechtkomt,
mag kiezen wie de afstoot moet doen.
De biljarter die de acquitstoot neemt (of moet nemen), heeft gedurende de
hele partij de gemerkte witte bal, zijn tegenspeler de ongemerkte witte bal.
Voor de afstoot worden de ballen als volgt neer gelegd. De rode bal op het
bovenacquit, de ongemerkte bal van de tegenstander op het benedenmiddenacquit
en de eigen speelbal (de gemerkte bal) naar keuze op het linker- of rechterbenedenacquit.
De speler die de partij niet begint, krijt aan het eind van de partij de zogenaamde
gelijkmakende beurt. Heeft de speler die het eerst is begonnen als eerste
het noodzakelijke aantal punten verzameld (bij libre is dat 300 of 500), dan
mag de andere speler de nastoot hebben, omdat hij een beurt minder heeft gehad.
In dat geval worden de ballen voor hem op de acquits gelegd.
2. Carambole:
De speler moet met zijn bal de beide andere ballen raken. Dat noemen we een
carambole. Hij mag doorspelen zolang hij caramboles blijft maken. Lukt dat
niet, dan is de tegenspeler aan stoot.
3. Vastliggen van de ballen:
Als de stootbal vastligt tegen een van de andere ballen, dan kan een speler
kiezen: de ene mogelijkheid is herbeginnen met de acquitstoot, de andere is
naar de vrijliggende bal spelen of een losse-bandstoot maken. Bij de laatste
mogelijkheid mag de speelbal de vastliggende bal bij het stoten niet laten
bewegen. Bij het libre-spel op groot biljart is het in dit geval verplicht
weer met de acquitstoot te beginnen. Bij het driebandenspel gelden in dit
geval andere regels.
4. Het uitspringen van een bal:
Als een van de drie ballen van het biljart wordt gestoten of de houten omlijsting
raakt, wordt dit als een fout beschouwd. Is een bal buiten het biljart beland
na het caramboleren, dan wordt de carambole als ongeldig beschouwd. Deze regel
geldt ook als een bal slechts over de rand rolt en daarna terugkeert op het
biljart. Uw beurt is voorbij en uw tegenspeler moet met de acquitstoot beginnen.
Bij het driebanden gelden ook nu andere regels.
5. Toucheren:
Onder toucheren verstaat men het aanraken van een van ballen - door welke
oorzaak ook - met de hand, keu, das, kledingstuk (jaspand) of welk voorwerp
ook. De speler die een bal toucheert, is zijn beurt kwijt en zijn tegenstander
mag verder spelen. Is een bal door het aanraken verplaatst, dan moet hij blijven
liggen waar hij terecht is gekomen.
6. Biljarderen:
Hieronder verstaat men dat de pomerans van de keu nog met de speelbal in contact
is als de speelbal de tweede bal of een band raakt. In dit geval is de (eventuele)
carambole ongeldig en is de tegenspeler aan de beurt.